Hoe zorg je ervoor dat kinderen die extra ondersteuning nodig hebben toch onderwijs kunnen volgen op een reguliere basisschool in hun eigen omgeving? Voor consulent Yvonne Vellinga en de scholen in werkgebied Alkmaar Oost is dat al jaren de centrale vraag. Samen met scholen, ouders en jeugdhulp zoeken zij naar oplossingen waardoor kinderen zich in het regulier onderwijs optimaal kunnen ontwikkelen ondanks hun extra ondersteuningsbehoeften. ‘We hebben de afgelopen jaren laten zien dat veel meer mogelijk is dan we vroeger dachten.’
Ondersteuning organiseren dichtbij het kind
Volgens Yvonne Vellinga vraagt inclusiever onderwijs om beweging op meerdere fronten tegelijk. Scholen werken hard aan het versterken en verbreden van de basis- en lichte ondersteuning, zodat leerkrachten en intern begeleiders steeds beter kunnen inspelen op verschillen tussen leerlingen. Anderzijds zien we dat specialistische ondersteuning voor kinderen wel nodig blijft. Binnen SWV-NK PO wordt daarvoor gewerkt met arrangementenbudgetten. Samen met ouders, school, jeugdhulp en bij voorkeur het kind zelf onderzoekt zij welke ondersteuning nodig is om een passende plek op de eigen school mogelijk te maken. ‘Het uitgangspunt is steeds dat we eerst kijken wat mogelijk is binnen de reguliere school en richten we ons op het verstevigen van de context en relaties tussen leerling en leraar.’ De mindset in het onderwijs is de afgelopen jaren veranderd. ‘Leerkrachten zijn veel meer gewend geraakt aan het idee dat alle kinderen er bij horen en hebben steeds meer expertise om ze te ondersteunen bij het leerproces.’
Van individuele begeleiding naar expertise in de school
Toen Vellinga begon als consulent, werd ondersteuning vaak één-op-één georganiseerd. Specialisten begeleidden individuele leerlingen zodat zij konden blijven deelnemen aan het reguliere onderwijs. Dat leverde niet alleen iets op voor het kind, maar ook voor de leerkracht. ‘De bedoeling was natuurlijk om kinderen op school te houden, maar de bijvangst was dat leerkrachten zelf steeds deskundiger werden. Ze zagen hoe specialisten werkten, gingen ermee aan de slag en bouwden ervaring op.’ Mede daardoor verschuift de ondersteuning steeds meer naar de scholen zelf. Een groter deel van de middelen wordt daarom rechtstreeks aan scholen beschikbaar gesteld om extra ondersteuning op het regulier onderwijs mogelijk te maken. Daarnaast worden er masterclasses georganiseerd voor verder deskundigheidsbevordering. Volgens Vellinga past dat bij de ontwikkeling naar inclusiever onderwijs. ‘Als scholen zelf steeds meer kennis en expertise ontwikkelen, kunnen ze ook meer kinderen ondersteunen binnen hun eigen setting.’
Samen sterker dan alleen
Een van de ontwikkelingen waar Vellinga de meerwaarde van inziet, is de samenwerking tussen scholen in haar werkgebied. Zo kwamen enkele jaren geleden drie basisscholen die een schoolplein en voetbalveld delen bij elkaar aan tafel. Uit die gesprekken ontstond een gezamenlijk aanbod voor hoogbegaafde leerlingen. ‘De directeuren kwamen naar me toe met de vraag of we samen iets konden organiseren. Vanuit het arrangementenbudget konden we dat mogelijk maken.’ Het initiatief groeide uit tot meerdere wijkarrangementen voor verschillende groepen leerlingen. Inmiddels bestaan er gezamenlijke trajecten voor onder meer hoogbegaafde kinderen, leerlingen met internaliserend gedrag en/of externaliserend gedrag en kinderen die moeite hebben met executieve functies. In plaats van individuele begeleiding buiten de klas komen leerlingen van verschillende scholen samen in kleine groepen op een van de locaties.
Een kansrijke start voor kleuters
Tegelijkertijd ziet Vellinga nieuwe vraagstukken ontstaan. In de regio, maar ook landelijk, merken scholen dat steeds meer jonge kinderen met extra ondersteuningsvragen instromen. ‘We zien kinderen die moeite hebben met prikkelverwerking, achterstanden hebben op het gebied van spraak en taal of nog niet alle basisvaardigheden hebben ontwikkeld die van pas komen bij de start op school.’ Dat vraagt volgens haar om nieuwe oplossingen. Zeker omdat kleutergroepen vaak groot zijn en kinderen daardoor het risico lopen om al vroeg vast te lopen. In haar werkgebied wordt daarom onderzocht hoe deze kinderen een kansrijkere start kunnen krijgen. Bijvoorbeeld door te kijken naar kleinere settings waarin kinderen kunnen wennen aan de schoolomgeving voordat zij volledig instromen. ‘We willen ervoor zorgen dat alle kinderen kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen. Juist aan het begin van hun schoolloopbaan kun je veel verschil maken.’
Meedoen in de eigen wijk
Voor Vellinga gaat een inclusieve leeromgeving uiteindelijk over meer dan onderwijs alleen. Het gaat ook over opgroeien, vriendschappen sluiten en onderdeel zijn van de buurt waarin je woont. Dat ziet zij bijvoorbeeld bij kinderen met het syndroom van Down die dankzij aanvullende ondersteuning onderwijs volgen op een reguliere basisschool. ‘Deze kinderen profiteren van een talige omgeving en worden uitgedaagd in hun ontwikkeling. Tegelijkertijd zie je dat de andere kinderen taalgebaren leren en met hen communiceren. Ze leren echt met én van elkaar.’ Ook wordt steeds vaker onderzocht hoe leerlingen uit het gespecialiseerd onderwijs gedeeltelijk kunnen deelnemen aan regulier onderwijs. Zo draaien sommige leerlingen een deel van de week mee op een basisschool in hun eigen wijk, waarna wordt gekeken of uitbreiding mogelijk is. ‘We proberen aan alle kanten kinderen zichtbaar te houden in hun woonomgeving. Dat is uiteindelijk waar inclusie voor mij over gaat.’
Geen eindbestemming
Hoewel de beweging naar inclusiever onderwijs nog lang niet klaar is, ziet Vellinga iedere dag voorbeelden van wat er mogelijk is wanneer scholen, ouders, gemeenten en hulpverlening samen optrekken. Niet ieder kind volgt dezelfde route en niet iedere oplossing werkt overal. Maar de afgelopen jaren hebben volgens haar wel laten zien dat er meer ruimte is dan vaak wordt gedacht. ‘We blijven zoeken naar manieren om kinderen mee te laten doen in hun eigen omgeving. Eigenlijk hebben we daarbij één belangrijk uitgangspunt: geen kleuter de wijk uit.’


