Hoe organiseer je onderwijs waarin meer kinderen thuisnabij kunnen leren? Die vraag houdt de werkgroep Inclusieve Leeromgeving al geruime tijd bezig. Volgens kartrekkers Brenda Best en Daniëlle Kuip begint het antwoord niet bij diagnoses, labels of verwijzingen, maar bij de vraag: wat moeten wij anders organiseren zodat een kind kan meedoen?
Inclusief onderwijs wordt vaak besproken in termen van beleid, ambities en stelsels. Maar voor de werkgroep Inclusieve Leeromgeving begint het veel dichter bij huis. Op scholen, in teams en in de samenwerking tussen professionals die dagelijks zoeken naar oplossingen zodat ieder kind kan meedoen. De werkgroep bestaat uit directeuren, ib’ers, leraren en schoolleiders van verschillende besturen in Noord-Kennemerland. Ook gemeenten en het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd. Zij komen al ruim een jaar regelmatig bijeen om te onderzoeken hoe regulier en gespecialiseerd onderwijs én alle partners meer kunnen samenwerken.
Tegelijkertijd werkte het team van SWV-NK PO aan het ondersteuningsplan 2026-2030. Dat deed het samenwerkingsverband bewust bottom-up. Onderwijsprofessionals, ouders, bestuurders, gemeenten, jeugdhulp en andere partners werden uitgenodigd om mee te denken. Tijdens een bijeenkomst in de Cultuurkoepel in Heiloo kwamen veel verschillende perspectieven samen. De opbrengsten vormden mede de basis voor de vier thema’s voor de komende jaren. Een van deze thema’s is de inclusieve leeromgeving in ieder werkgebied. De urgentie is hiermee onderstreept.
Het eerste jaar van de werkgroep
‘We hebben in het eerste jaar van ons bestaan echt de tijd genomen om verschillende beelden en overtuigingen naast elkaar te leggen’, vertelt Daniëlle Kuip. ‘Wat verstaan we eigenlijk onder inclusie? Waar lopen scholen tegenaan? Wat zijn de zorgen? Maar ook: wat lukt er al?’ Die gesprekken maakten zichtbaar hoeveel scholen eigenlijk al doen. Tegelijkertijd werd duidelijk hoeveel kansen er nog liggen wanneer scholen en organisaties elkaar beter weten te vinden. Soms blijken de eerste stappen verrassend eenvoudig. Zo ontdekte een directeur uit het gespecialiseerd onderwijs dat er nauwelijks contact was met de reguliere scholen in zijn directe omgeving. ‘Dan realiseer je je dat samenwerking soms begint met een simpel gesprek’, zegt Daniëlle. ‘Je moet elkaar eerst kennen voordat je iets voor elkaar kunt betekenen.’
Ook ontstonden vanuit die ontmoetingen nieuwe initiatieven. Twee SBO-scholen van twee verschillende besturen hebben samen een ontwikkelgroep voor leerlingen opgezet. Leerlingen komen tijdelijk naar het SBO, met als doel terug te keren naar het reguliere onderwijs. De twee inclusiecoaches delen daarnaast hun expertise met reguliere scholen. Zij kijken niet alleen mee naar wat een leerling nodig heeft, maar helpen ook onderwijsprofessionals verder. Zo ontstond een scholingsprogramma rondom verschillende thema’s. ‘Het gaat erom dat we niet alleen kijken wat er met een leerling aan de hand is, maar vooral ook wat wij als professionals van elkaar kunnen leren’, zegt Brenda.
Gaandeweg ontdekte de werkgroep dat de discussie over inclusie vaak vastloopt in dezelfde reflexen. ‘We zijn gewend geraakt om te kijken naar wat er met een kind aan de hand is’, zegt Brenda Best-De Jong. ‘Welke ondersteuning hoort daarbij? Welke plek past het beste? Als je zo blijft kijken, kom je al snel uit bij verwijzen.’ Daarom probeert de werkgroep een andere vraag centraal te stellen: wat hebben wij anders te organiseren zodat dit kind kan meedoen? Niet het kind aanpassen aan het systeem, maar het systeem aanpassen aan de diversiteit van kinderen.
‘Uiteindelijk zijn we allemaal verschillend’, zegt Daniëlle. ‘Wat is eigenlijk normaal? Misschien is het juist normaal dat iedereen anders is.’
Grenzen van het systeem
Juist wanneer scholen inclusiever willen werken, worden de grenzen van het huidige systeem zichtbaar. Een van de grootste uitdagingen is de scheiding tussen onderwijs en zorg. Voor kinderen lopen die werelden vaak door elkaar heen, terwijl verantwoordelijkheden, budgetten en regelgeving strikt gescheiden zijn. Brenda heeft daar als ouder van een zoon met het syndroom van Down zelf mee te maken. Voor een deel van de ondersteuning is onderwijs verantwoordelijk, voor een ander deel de gemeente. ‘Een kind is niet gefragmenteerd, maar alles om het kind heen vaak wel’, zegt ze. ‘Als ouder merk je, net als de professionals op de groep, hoeveel schotten er zijn opgebouwd.’
Ook in de werkgroep komen voorbeelden voorbij waarin die schotten zichtbaar worden. Wat gebeurt er bijvoorbeeld wanneer een leerling ondersteuning nodig heeft bij de dagelijkse verzorging, terwijl de financiering deels vanuit zorg en deels vanuit onderwijs komt? ‘Dan zie je dat bestuurders en gemeenten ook iets te doen hebben’, zegt Brenda. ‘Het gaat uiteindelijk om het kind. We moeten dus veel meer ontschotten en samen kijken wat nodig is.’
In discussies over inclusie wordt vaak gekeken naar de meest complexe situaties. ‘We denken snel aan de uitzonderingen’, zegt Brenda. ‘Maar als je met leerkrachten praat, hoor je ook dat er veel leerlingen zijn voor wie we het waarschijnlijk prima hadden kunnen organiseren als we eerder samen waren gaan zoeken naar mogelijkheden.’
Geen trucje, maar goed onderwijs
Een belangrijk inzicht ontstond tijdens een bezoek aan een school die al ver is in haar ontwikkeling richting inclusiever onderwijs. Brenda vertelt: ‘We bezochten met een delegatie vanuit Blosse een school waarvan iedereen zei dat die ontzettend vooruitstrevend was. Op de terugweg concludeerden we met elkaar dat ook deze school gewoon een school is.’ Precies daarin zat volgens haar de les. De school werkte vanuit sterke pedagogiek, goed onderwijsontwerp, samenwerking tussen professionals, gemeente en het samenwerkingsverband en aandacht voor verschillen tussen leerlingen. Inclusie was daar geen los project of aparte methode, maar een vanzelfsprekend gevolg van de manier waarop onderwijs werd georganiseerd. ‘Inclusie is geen apart thema. Inclusie is het resultaat van heel goed onderwijs.’
Daniëlle vult aan: ‘Voor veel collega’s in het onderwijs is het belangrijk om te horen dat er niet weer iets bovenop komt. Het gaat niet om een nieuw programma of een trucje. Het gaat over goed onderwijs, goede pedagogiek en goede didactiek.’
Van verkennen naar actie
Na een periode van verkennen en betekenis geven, verschuift de aandacht nu steeds meer naar actie. De werkgroep werkt aan een roadmap die scholen helpt om zelf stappen te zetten richting een inclusieve leeromgeving. Die roadmap moet geen blauwdruk worden, benadrukken de kartrekkers, maar een praktische handreiking.Een van de onderwerpen die momenteel wordt uitgewerkt, is inclusieve taal. Welke woorden gebruiken we eigenlijk? Woorden als hoger, lager, achterstond en probleemleerling beinvloeden hoe we naar kinderen kijken en kunnen onbedoeld het denken in rangordes versterken. ‘Als je inclusiever wilt werken, moet je ook nadenken over hoe je spreekt over leerlingen’, zegt Daniëlle. ‘Taal beïnvloedt je mindset.’
Steeds meer scholen en besturen sluiten zich bij de beweging aan. Wat begon als een relatief kleine groep groeit uit tot een regionaal netwerk van professionals die samen willen onderzoeken hoe onderwijs inclusiever kan worden georganiseerd.‘De vraag is eigenlijk niet meer óf we iets met inclusie moeten’, zegt Daniëlle. ‘De vraag is hoe. En dat antwoord ga je niet achter een bureau bedenken. Dat ontdek je door samen stappen te zetten.’
Want uiteindelijk draait het volgens beide kartrekkers niet om een roadmap of een beleidsstuk. ‘De echte waarde zit in het samen optrekken’, besluit Brenda. ‘In elkaar ontmoeten, van elkaar leren en met elkaar verantwoordelijkheid nemen voor alle kinderen.’


